Bibliometrie

Een beknopte inleiding tot de Bibliometrie en zijn geschiedenis

- door Wolfgang Glänzel

 

De oorsprong van de term ‘bibliometrie’

De termen bibliometrie en scientometrie werden bijna gelijktijdig geïntroduceerd door Pritchard en door Nalimov en Mulchenko in 1969. Pritchard had het over bibliometrie als de ‘toepassing van mathematische en statistische methoden voor boeken en andere communicatiemedia’ (Pritchard, 1969), terwijl Nalimov en Mulchenko scientometrie definieerden als ‘de toepassing van kwantitatieve methoden voor de analyse van de wetenschap die zich bezighoudt met het informatieproces’ (Nalimov en Mulchenko, 1969). Volgens deze interpretaties blijft scientometrie beperkt tot het kwantificeren van wetenschappelijke communicatie, terwijl bibliometrie gaat over meer algemene informatieprocessen.

De onduidelijke grenzen tussen deze twee begrippen zijn gedurende de laatste drie decennia zo goed als verdwenen en vandaag worden de termen grotendeels als synoniemen van elkaar gebruikt. ‘Informetrie’ nam evenwel de meer gespecialiseerde plaats in van het oorspronkelijk brede onderzoeksveld van bibliometrie. Deze term werd zo aangenomen door VINITI (Gorkova, 1988) en staat voor een meer algemeen deelgebied van informatiewetenschap dat mathematisch-statistische analyse van communicatieprocessen in wetenschap onderzoekt. In tegenstelling tot de oorspronkelijke definitie van bibliometrie, neemt informetrie ook elektronische media onder beschouwing en zodoende ook de statistische analyse van de (wetenschappelijke) tekst en hypertekstsystemen, bibliotheeksystemen, informatiemaatstaven in elektronische bibliotheken, modellen voor de informatieproductie en –processen en kwantitatieve aspecten van Information Retrieval. In zijn artikel getiteld ‘Biblio-, sciento, infor-metrics??? What are we talking about?’, gaf Brookes (1990) een interessant overzicht van de oorsprong en de context van deze kwantitatieve disciplines en de bestaande literatuur ervan. De beschrijving van Glänzel en Schoeplin in 1994 definieert het gebied van het bibliometrisch onderzoek als veel ruimer dan tot dan was aangenomen en integreert alle huidige perspectieven zoals de toepassingen in wetenschapsbeleid, bibliotheekwetenschappen en Information Retrieval. Volgens deze benadering gaat het bij bibliometrie en informetrie om ‘alle kwantitatieve aspecten en modellen van wetenschapscommunicatie, het bewaren, de verspreiding en de retrieval van wetenschappelijke informatie’. De definitie van Gloria Carrizo-Sainero (2000) beschouwt bibliometrie als het ‘geheel van methodologische kennis dat de toepassing van kwantitatieve technieken realiseert om het proces van productie, communicatie en het gebruik van wetenschappelijke informatie te evalueren’. Deze omschrijvingen geven duidelijk aan dat evaluatie een van de belangrijkste toepassingen is geworden van bibliometrisch onderzoek en technologie.

Uit het bovenstaande mag blijken wat de hoofdtaak van bibliometrie (scientometrie) is en hieruit wordt de volgende stelling duidelijk. Bibliometrie kan worden aangewend om de middelen te leveren voor de evaluatie van onderzoeksprestatie, maar het werd niet ontwikkeld om zelf de resultaten van onderzoek te waarderen. Bovendien veronderstelt bibliometrie niet dat kwalitatieve evaluatiemethoden door kwantitatieve benaderingen zouden worden vervangen. Kwalitatieve en kwantitatieve methoden moeten elkaar blijven aanvullen in wetenschapsstudies.

 

De geschiedenis van bibliometrie

De oorsprong van de statistische studie van wetenschappelijke bibliografieën dateert van de jaren twintig van vorige eeuw (zie bijvoorbeeld Hilme, 1923). In 1926 publiceerde Alfred J. Lotka een pionierstudie over de frequentiedistributie van wetenschappelijke productiviteit (Lotka, 1926). Op ongeveer hetzelfde moment in 1927 publiceerden Gross en Gross hun citatiegebaseerde studie als advies voor welke chemietijdschriften het best zouden kunnen aangekocht worden door de bibliotheken van kleine universiteiten. In het bijzonder onderzochten zij 3633 citaties van het volume van de Journal of the American Society van 1926. Deze studie wordt beschouwd als de eerste citatieanalyse, alhoewel het strict genomen en volgens de hedendaagse bibliometrische criteria, niet als zodanig mag gezien worden.

Acht jaar na Lotkas artikel publiceerde Bradford (1934) een studie over de frequentiedistributie van artikels in wetenschappelijke tijdschriften. In het bijzonder vond hij dat, ‘als wetenschappelijke tijdschriften geordend werden in functie van verminderde productiviteit aangaande een gegeven onderwerp, ze konden worden indegeeld in een kern van tijdschriften die meer aan het onderwerp gewijd zijn en in verschillende groepen of zones van tijdschriften met hetzelfde aantal artikelen als de kern wanneer het aantal tijdschriften in de kern en de volgende zones staat zoals 1:b:b2 …’

Deze vroege studies bleven echter onopgemerkt tot in de jaren zestig. Daarvoor is een dubbele reden. Deze artikels verschenen wanneer traditionele vormen van Information Retrieval nog gehanteerd werden en wanneer financieringsystemen voor wetenschappelijk onderzoek nog geen nood hadden aan kwantitatieve en/of zelfs gesofisticeerde statistische methoden.

De situatie veranderde dramatisch wanneer Derek John de Solla Price zijn boeken getiteld ‘Science since Babylon’ (Price, 1961) en ‘Little science – Big Science’ (Price, 1936) publiceerde. Dankzij hem werden vragen omtrent kwantitatieve aspecten van onderzoek een interesseveld voor onderzoekers en onderzoeksmanagers. Price was ook een van de belangrijkste promotors van het gebruik van de Science Citation Index© (SCI) database van het Institute for Scientific Information (ISI, Philadelphia, USA) als een middel voor kwantitatieve analyse van wetenschapscommunicatie. Hij analyseerde het recente systeem van wetenschapscommunicatie en presenteerde alzo de eerste systematische aanpak van de structuur van moderne wetenschap toegepast op wetenschap als geheel. Tegelijk legde hij de fundamenten van de moderne onderzoeksevaluatietechnieken. ‘Little Science – Big Science’ had een grote invloed. De nood voor de evaluatie van productiviteit en efficiëntie van wetenschappelijk onderzoek werd belangrijk en de tijd was rijp voor de ontvangst van Prices ideeën, aangezien de globalisatie van wetenschapscommunicatie, de groei van kennis en gepubliceerde resultaten, de toenemende specialisatie en het groeiend belang van interdisciplinariteit in wetenschappelijk onderzoek het stadium bereikten waarbij traditionele wetenschappelijke Information Retrieval en financieringsmechanismen gebaseerd op persoonlijke kennis en evaluatie door peer reviews, ontoereikend werden.

De snelle opgang van bibliometrie sinds de jaren zestig werd weerspiegeld in opmerkelijke academische activiteiten en werd systematisch gelinkt aan de vooruitgang van informatietechnologie, met de ontwikkelingen in computertechnologie en technologie in het algemeen en in het bijzonder, met de wereldwijde beschikbaarheid van de grote bibliografische databanken die als basis voor bibliometrische research konden dienen. Vooral de databanken van de ISI moeten in deze context worden vermeld. De SCI en meer recent de Web of Science zijn ondertussen de meest verspreide en aanvaarde bronnen voor bibliometrische analyse.

In de jaren zeventig, wanneer data nog vaak manueel werden verzameld, was het onderzoeksveld van bibliometrie, vormgegeven door de input van enthousiaste onderzoekers, nog vaak een ‘hobby’ die later zowel de interdisciplinaire benaderingen als mathematische modellen aan de ene kant, en sociologische en psychologische methoden aan de andere kant, integreerden, hierbij de lange traditie van bibliotheekwetenschappen nog niet in acht genomen. Later, aan het begin van de jaren tachtig, kon bibliometrie evolueren tot een aparte wetenschappelijke discipline met een geëigend onderzoeksprofiel, verschillende subvelden en de corresponderende wetenschappelijke communicatiestructuren. Grote stappen naar de institutionalisering van de onderzoeksdiscipline werden gemaakt in 1978 met de lancering van het tijdschrift Scientometrics als het eerste periodieke tijdschrift gespecialiseerd in bibliometrische/scientometrische onderwerpen, internationale conferenties sinds 1983 en het tijdschrift Research Evaluation sinds 1991. De publicatie van verschillende boeken over bibliometrie, waaronder Haitun (1983), Ravichandra Rao (1983, Bujdosó (1986), van Raan (1988), Egghe en Rousseau (1990) en Courtial (1990) bevestigden deze ontwikkelingen. Het feit dat bibliometrische methoden al toegepast werden in het veld van bibliometrie zelf toont al aan hoe snel de discipline evolueerde.

In navolging van de overgang van de ‘manuele’ vorm van ‘little science’ naar de ‘big science’ of multinationale research centra en de grote ondersteuning van gouvernementele en industriële instellingen, ontwikkeld zich scientometrie ook van ‘kleine’ naar ‘grote’ wetenschappelijke discipline met grote gedigitaliseerde databanken en met nationale en multinationale instellingen voor onderzoeksbeleid als grootste afnemers.

In de jaren negentig werd bibliometrics de standaardtool voor wetenschapsbeleid en onderzoeksmanagement. In het bijzonder, alle opmerkelijke compilaties van wetenschapsindicatoren zijn gebaseerd op de publicatie- en citatiestatistieken en andere, meer gesofisticeerde bibliometrische technieken.

De toepassing van de bibliometrie op het World Wide Web leidde tot het ontstaan van een nieuwe discipline, genaamd webmetrics (ofwel webometrics). Tengevolge van essentiële verschillen tussen printmedia en het web heeft dit gebied zich naar een nagenoeg zelfstandig deelgebied van de scientometrie/informetrie met een eigen methodologie ontwikkeld. Onder anderen worden Peter Ingwersen (Denemarken), Isidro Aguillo (Spanje), Mike Thelwall (VK) en Liwen Vaughan (Canada) als stichter van dit nieuwe onderzoeksgebied beschouwd.
De natuurkundige Jorge E. Hirsch (VS) heeft voor de bibliometrische gemeenschap een nieuwe uitdaging gebracht. Hij ontwikkelde een nieuwe maatstaf –– voor het kenmerken van de wetenschappelijke prestatie van indiviuele onderzoekers. De h-index is gebaseerd op zowel publicatieactiviteit en citatie-impact. Volgens de definitie heeft een wetenschapper de index h indien hij op zijn of haar Np artikels telkens h citaties of meer heeft gekregen en de anderen (Np – h) artikels hebben hooguit telkens h citaties (Hirsch, 2005). Hirsch’s idee heeft onmiddellijk belangstelling in het publiek gevonden en werd zowel door de fysici als de scientometrische literatuur positief onthaald. Sindsdien werden meerdere aanpassingen en verbeteringen voorgesteld door de bibliometrici. Onderzoek op deze indicator schijnt zich tot een nieuwe topic in de bibliometrie te ontwikkelen.
Bibliometrisch onderzoek vandaag is gefocust op de volgende drie gebieden die duidelijk de topics afbakenen en de subgebieden van hedendaagse bibliometrie definiëren.

Bibliometrie voor bibliometrici ("fundamenteel onderzoek" in bibliometrie)

Dit is het domein van het basisonderzoek in de bibliometrie. Het wordt gestimuleerd via de traditionele financieringskanalen. Het gaat hier voornamelijk om methodologisch onderzoek.

Bibliometrie voor wetenschappelijke disciplines (Wetenschappelijke informatie)

Onderzoekers in wetenschappelijke disciplines vormen de grotere, maar ook de meest diverse doelgroep in bibliometrie. Dankzij hun primaire wetenschappelijke oriëntatie zijn hun interesses sterk gelinkt aan hun specialiteit. Dit domein kan beschouwd worden als een uitbreiding van de wetenschappelijke informatie via metrische middelen. Er zijn ook raakvlakken met kwantitatief onderzoek in Information Retrieval.

Bibliometrie voor wetenschapsbeleid en –management (onderzoeksevaluatie)

Dit is het domein van onderzoeksevaluatie, op dit moment het meest belangrijke onderzoeksgebied van de bibliometrie. Hier treden de nationale, regionale en institutionele structuren van wetenschap en hun vergelijkende presentatie op de voorgrond.

Bibliometrie – als een interdisciplinair onderzoeksveld – heeft sterke banden met de gerelateerde onderzoeksdisciplines, toepassingsgebieden en dienstverlening. Bibliometrie is traditioneel sterk gelinkt aan bibliotheekwetenschappen, Information Retrieval en de sociologie van wetenschap. Omgekeerd dienen de resultaten van bibliometrisch onderzoek en technologie ook voor het bibliotheekwezen, wetenschappelijke informatie en wetenschapsbeleid.

 

Referenties

BROOKES, B.C., Biblio-, sciento-, infor-metrics??? What are we talking about, In: L. Egghe, R. Rousseau (Eds.), Informetrics 89/90, Elsevier Science Publishers B.V., 1990, 31-43.

BUJDOSÓ, E., Bibliometrics and Scientometrics, Országos Széchényi Könyvtár Könyvtártudományi és Módszertani Központ - MTA Könyvtára, Budapest, 1986 (in Hungarian).

CARRIZO SAINERO, G., Toward a Concept of Bibliometrics, Journal of Spanish Research on Information Science, 1 (2), 2000, 5986.

COURTIAL, J.P., Introduction à la scientometrie, Anthropos, Paris, 1990.

EGGHE, L., ROUSSEAU, R., Introduction to Informetrics. Quantitative Methods in Library, Documentation and Information Science, Elsevier, Amsterdam, 1990.

GLÄNZEL, W., SCHOEPFLIN, U., Little Scientometrics - Big Scientometrics ... and Beyond, Scientometrics, 30 (2-3), 1994, 375-384.

GORKOVA, V.I., Informetrics, Informatics, 10, VINITI, Moscow, 1988.

GROSS, P.L.K., GROSS, E.M., College Libraries and Chemical Education, Science, 66, 1927, 385?389.

HAITUN S.D., Scientometrics: State and Perspectives, Nauka, Moscow, 1983 (in Russian).

HULME, E.W., Statistical Bibliography in Relation to the Growth of Modern Civilization, Grafton, London, 1923.

LOTKA, A.J., The Frequency Distribution of Scientific Productivity, J. Washington Acad. Sci., 16, 1926, 317?323.

NALIMOV, V.V., MULCHENKO, B.M., Scientometrics, Nauka, Moscow, 1969 (in Russian).

PRICE, D. DE SOLLA, Science since Babylon, Yale Univ. Press, New Haven, 1961.

PRICE, D. DE SOLLA, Little Science, Big Science, Columbia Univ. Press, New York, 1963.

PRITCHARD, A., Statistical bibliography or bibliometrics? Journal of Documentation 24, 1969, 348?349.

RAVICHANDRA RAO, I. K., Quantitative Methods for Library and Information Science. Wiley-Eastern. New Delhi, 1983.

VAN RAAN, A.F.J. (Ed.), Handbook of Quantitative Studies of Science and Technology, North-Holland, Amsterdam, 1988.