Innovatiestudies

Het onderzoek uitgevoerd door de groep Innovatiestudies wordt opgebouwd rond de CIS- en O&O-enquêtes en -methodologie, maar beperkt zich hier zeker niet toe.

De groep Innovatiestudies werkt nauw samen met de Onderzoekseenheid Bedrijfseconomie, Strategie en Innovatie van de K.U.Leuven. De onderzoekslijnen zijn onder andere:
 

Impact van het publieke innovatiebeleid in Vlaanderen

In het algemeen wordt innovatie beschouwd als een belangrijke stuwende kracht achter economische groei. Ook is het een belangrijke bron (samen met sociaal kapitaal) van rijkdom voor een land. Bijgevolg spenderen de overheden van de OESO-landen aanzienlijke sommen aan onderzoeks- en ontwikkelingactiviteiten (O&O-activiteiten) om de technologische competitiviteit van hun economieën te behouden en verder te ontwikkelen (zie bv. OESO, 2004). Kennis en innovatie worden tegenwoordig gezien als sleutelfactoren voor het behouden en verbeteren van groei en competitiviteit. Een goed gedocumenteerd, prominent voorbeeld hiervan is het Europees Actieplan 2010. Europese overheden stelden vast dat er een kloof ontstond tussen Europese lidstaten en hun belangrijkste “concurrenten” wat betreft investeringen in O&O en technologie: zo is de recente kloof tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten opgelopen tot 120 miljoen Euro per jaar en blijft groeien (cf. Europese Commissie, 2003). De lidstaten hebben het Europees Actieplan goedgekeurd vermits zij vrezen dat dit ernstige gevolgen kan hebben voor het langetermijnpotentieel wat innovatie, groei en werkgelegenheidscreatie in Europa betreft. Dit plan houdt de versterking in van activiteiten in onderzoek, ontwikkeling en technologie, zodat de O&O/BNP ratio in de Europese Unie groeit van 1.9% naar 3.0% tegen 2010. Tweederde van de totale O&O zouden gefinancierd moeten worden door de ondernemingen. Om dit doel te bereiken, hebben nationale overheden hun innovatiebeleid herzien en hun beleidsinstrumenten versterkt.

Publieke autoriteiten verwachten dat de groei in O&O-investeringen zal zorgen voor een intensifiëren van technologische vooruitgang en op lange termijn de groei zal versnellen. Wat O&O in de zakenwereld betreft, zijn de veronderstelde relaties achter het Actieplan, ten eerste, dat publiek O&O-beleid de private uitgaven stimuleert, en ten tweede, dat bijkomende O&O tot nieuwe producten of processen leidt die de competitiviteit verbeteren en groei stimuleren.

Ons onderzoek gaat na of de opgelegde relatie tussen O&O beleid, privé O&O investeringen en technologische vooruitgang in de realiteit opgaat. Economische theorie betwijfelt de effectiviteit van dit soort beleid. In dit onderzoeksveld concentreren we onze discussie op directe subsidies aan ondernemingen en op O&O-belastingskredieten, vermits deze de meest gebruikte instrumenten zijn in het innovatiebeleid van vele Europese landen.

Voor deze onderzoekslijn gebruiken we econometrische controlegroepmethoden (Treatment Effects Estimation Methods), om vragen te beantwoorden zoals

  1. de relatie tussen O&O input en O&O subsidies. De hoofdvraag is of publieke O&O investeringen privé O&O investeringen verdringen.
  2. Wordt publiek geïnduceerde, bijkomende O&O vertaald in innovatieoutput?
  3. De effecten van programma’s die samenwerkingsonderzoek tussen bedrijven, of tussen bedrijven en publieke onderzoeksinstellingen financieren. Publieke stimuli voor het financieren van samenwerkingsonderzoek werden gedurende de laatste decennia een belangrijk instrument in het Europese innovatiebeleid.

Investeringen in O&O en Innovatie

Innovaties zijn meestal het resultaat van investeringen in Onderzoek en Ontwikkeling (O&O). Vanuit dat perspectief kunnen de O&O-activiteiten van bedrijven gezien worden als privé-investeringen in de creatie van kennis. Dit basisfeit maakt investeringen in O&O-projecten anders dan andere soorten van investeringen. In kennisgebaseerde economieën is de investering in de creatie van nieuwe kennis een cruciale factor voor economische ontwikkeling en groei. Een potentieel tekort aan investeringen kan schadelijke gevolgen hebben voor competitiviteit, jobcreatie en de langetermijn economische prestatie.

Een tekort aan investeringen in kenniscreatie kan ontstaan om twee belangrijke redenen die de prikkels verminderen voor privé-investeringen in industriële innovatie. Ten eerste zijn privéopbrengsten uit O&O-investeringen - dit zijn de opbrengsten voor het bedrijf of organisatie die de investering deed - lager dan de sociale opbrengsten bekomen uit kennis spillovers. Ten tweede kunnen kapitaalmarktimperfecties, vooral asymmetrische informatie tussen de betrokken partijen, leiden tot financiële belemmeringen voor zulke investeringen, waardoor privéopbrengsten nog meer worden beperkt. Van een welzijnsperspectief gezien kunnen competitieve markten te weinig O&O produceren door positieve externaliteiten en asymmetrische informatie in lening- en investeringsrelaties. Beide soorten marktfalingen worden gezien als verantwoording voor overheidsinterventie die hogere O&O investeringen beoogt. In deze onderzoekslijn wordt vooral op dit laatste argument ingegaan, dus de financiële belemmeringen die ontstaan door asymmetrische informatie.

Gebruikmakend van O&O- en innovatie-enquêteresultaten analyseert ons onderzoek de mogelijke implicaties van de aanwezigheid van financieringsbelemmeringen in de kenniseconomie. Micro-econometrische paneldatatechnieken worden gebruikt om verschillende investeringsmodellen te schatten waar we bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen incrementele en radicale innovatie, onderzoek- versus ontwikkelingsuitgaven of waar we de impact van financiële belemmeringen voor kleine versus grote ondernemingen onderzoeken.

Nauw aansluitend bij deze onderwerpen, voeren wij onderzoek naar investeringen onder onzekerheid. Reële optietheorie (Real Options Theory) voorspelt dat bedrijven investeringen zouden uitstellen en dus minder investeren, in markten waar onzekerheid hoog is, vergeleken met beslissingen gemaakt onder geen of lage onzekerheid. Wij onderzoeken deze voorspelling empirisch volgens verschillende dimensies. Bijvoorbeeld, zullen publieke subsidies die de prijs van O&O verlagen, de negatieve effecten van uitkomstonzekerheid verminderen? Hoe verschillen de effecten tussen onzekerheid aan de vraagzijde en deze aan de aanbodzijde, waarbij de onzekerheid aan de aanbodzijde volgt uit concurrentie en rivaliteit op de productmarkt?

Innovatie en bedrijfsprestatie

De onderzoeksgroep onderzoekt niet alleen innovatie-input, maar ook hoe innovatie-input (in termen van investeringen en managementtechnieken) innovatie-output beïnvloedt, en uiteindelijk ook de algemene prestatie van de onderneming in termen van winstgevendheid of productiviteit. Onder andere werden verschillende dimensies van de relatie tussen innovatie input en output onderzocht. Bijvoorbeeld:

  1. de effecten van O&O en innovatie op de productiviteit op bedrijfsniveau, in Vlaanderen;
  2. het belang van regionale vestigingsfactoren op innovatieprestatie op bedrijfsniveau, in Vlaanderen;
  3. de bijdrage van kennisbeheerssystemen (zoals ideeënmanagement en stimuli voor werknemerssuggesties), alsook andere dimensies zoals designinnovatie, op innovatieprestatie op bedrijfsniveau;
  4. tot op welk niveau kunnen bedrijven kennis-spillovers van concurrenten, klanten of leveranciers gebruiken voor de verbetering van hun prestatie in termen van productiviteit en winstgevendheid.

 

Innovatie en Corporate Governance

Sinds het pionierswerk van Knight en Schumpeter en het begin van de discussie over innovatie, is er grote nadruk gelegd op de centrale rol van de ondernemer in het innovatieproces. Ook al was deze zienswijze zeker geldig toen de belangrijke industriële bedrijven gesticht werden, vandaag wordt het merendeel van de grote ondernemingen geleid door managers. Dit introduceert een klassiek principaal-agent probleem. Meer specifiek is de manager niet in staat om zich alle opbrengsten van zijn of haar inspanningen toe te eigenen (vermits de onderneming eigendom is van de principalen, namelijk de aandeelhouders). Dit resulteert in een motiveringsprobleem vermits de manager niet noodzakelijk handelt in het belang van de eigenaars. Hoewel de huidige literatuur over bedrijfsleiding de effecten van leiderschap door werknemers versus eigenaars vaak bestudeert, heeft het innovatieaspect veel minder aandacht gekregen

Nauw aansluitend bij ondernemingsleiderschap door managers is de vraag of controle wordt uitgeoefend door de aandeelhouders. Indien kapitaal geconcentreerd is, hebben de eigenaars duidelijke incentieven om de managers te monitoren, vermits – gegeven de grote hoeveelheid kapitaal die geïnvesteerd is – de opbrengst van deze activiteit significant is. Het is in de meeste gevallen trouwens zo dat de aandeelhouders erg vertrouwd zijn met de situatie van de onderneming en diens omgeving, waardoor het probleem van asymmetrische informatie gereduceerd is. Deze situatie is anders indien er sprake is van gediversifieerde aandelen, zoals dat vaak het geval is in de moderne onderneming. Met gediversifieerde aandelen steekt het gekende “free-rider” probleem de kop op, omdat elke actie van een individuele aandeelhouder om de efficiëntie van het management te verhogen, gedeeld moet worden door verschillende andere aandeelhouders. Bovendien heeft de individuele aandeelhouder met hoog gediversifieerde aandelen noch de kennis van de specifieke situatie waarin de onderneming zich bevindt, noch de geldelijke incentieven om tussen te komen, vermits de financiële potentiële voordelen te klein zijn.

Een voorbeeld van hoe problemen inzake het motiveren van managers opgelost kunnen worden, is door het creëren van engagement door schulden. De literatuur beargumenteert dat schuld de managerskosten sterk binnen de perken houdt. Deze controlerende rol van schuld volgt uit de dreiging van faillissement, de verminderde vrije cash flow en de controle van de schuldeisers.

Hoewel er veel empirische studies over corporate governance bestaan die handelen over o.a. de determinanten van bezoldiging (grootte versus winstgevendheid), groei, en investering, toch werd de relatie tussen corporate governance en innovatieactiviteiten minder vaak geanalyseerd. Er bestaan enkele onderzoeken die echter tot meer ambigue resultaten leiden dan de theoretische bijdragen.

Ons onderzoek bestudeert verschillen inzake innovatie-input en -output tussen bedrijven geleid door eigenaars en bedrijven geleid door managers. Bovendien bespreekt ons onderzoek de effecten van verspreide versus geconcentreerde kapitaaleigendom op investeringen in innovatieactiviteiten. Terwijl de markt voor gewoon aandelenkapitaal onvoldoende controle op het gedrag van het topmanagement kan uitoefenen, kan deze zwakte verminderd worden door een aangewezen graad van schuldfinanciering, wat ook empirisch geanalyseerd werd. In het algemeen blijkt dat bedrijven geleid door managers meer innovatief zijn dan bedrijven geleid door eigenaars. Dit fenomeen kan uitgelegd worden door de mogelijke over-investering in verhouding tot winstgevendheid, vermits managers meer belang hechten aan groeiopties omdat hun bezoldiging vaak verbonden is met groei of bedrijfsgrootte (naast winstgevendheid). Strenge controle uitgeoefend door dominante kapitaaleigenaars of schuldengagement (en dus controle door schuldeisers) vermindert het verschil tussen bedrijven geleid door de eigenaar(s) en de bedrijven geleid door management.